Eiwitten Eiwitten, ook wel proteïnen genoemd, zijn nodig voor het behoud en opbouw van cellen, organen, enzymen, hormonen en antilichamen. Ze nemen ook deel aan alle stofwisselingsprocessen. Eiwitten leveren calorieën en aminozuren. Aminozuren zijn bouwstenen van alle eiwitten. Alle cellen en weefsels bevatten eiwitten, zoals de huid, spieren, botten en het bloed. Het lichaam heeft aminozuren nodig om nieuwe cellen te maken en oude cellen te vernieuwen. Onze spijsvertering zorgt er dus voor dat het eiwit afgebroken wordt tot de individuele aminozuren. Deze aminozuren worden geabsorbeerd door het lichaam en gebruikt om nieuwe eiwitten aan te maken. Het lichaam kan zelf een aantal aminozuren maken, maar anderen moeten via de voeding worden verkregen. Deze aminozuren worden ‘essentiële' aminozuren genoemd.
Opbouw van eiwitten Eiwitten bestaan uit aminozuren en aminozuren zijn stoffen die opgebouwd zijn uit koolstof (C), zuurstof (O) en stikstof (N). Soms kunnen ze ook zwavelmoleculen (S) bevatten. Een typisch eiwit bevat 500 of meer aminozuren. Niet alleen de aaneenschakeling van aminozuren, maar ook de ruimtelijke structuur van het eiwit is bepalend voor zijn functie.
Voedselbronnen Dierlijk eiwit: vlees, vis, gevogelte, melk, kaas en eieren. Plantaardig eiwit: brood, noten, bonen en linzen.
Enzymen zijn grote eiwitmoleculen, die bepaalde reacties in het lichaam mogelijk maken. Elke lichaamscel is te beschouwen als een soort fabriek die voedsel opneemt, voedsel omzet in andere stoffen en afbraakproducten uitscheidt. Dat omzetten van stoffen wordt gedaan door enzymen. Veelal worden de moleculen van voedingsmiddelen door enzymen ontbonden en verwerkt. Dit is een onderdeel van de spijsvertering.
Enzymen Enzymen worden door het lichaam zelf gemaakt. Voor de opbouw ervan zijn in een aantal gevallen vitamines nodig. Enzymen zijn bijzonder kwetsbaar. Ze gaan snel kapot en kunnen niet goed tegen hitte. Boven de 60°C werken de meesten niet meer; ze worden dan gedenatureerd (grote moleculen verliezen hun ruimtelijke structuur).
Een enzym ‘wacht' totdat de moleculen, waarmee het enzym aan de slag kan, bereikbaar zijn. Het enzym klemt zich op een bepaalde plaats aan de molecuul. Het deel dat omklemt is, wordt losgemaakt van het grotere geheel, waarna ook het enzym weer vrij is en verder kan met het volgende molecuul(deel). ↑ Terug naar boven |